Nieuwsbericht

Visiestuk over energieverspilling

10 mei 2021 | 5 minuten lezen
Lars vertelt... stop energieverspilling! Maar welk beleid werkt nou echt?

Lees het artikel online: Lees dan het artikel

6 mei 2021

In 2030 moet de gebouwde omgeving 50 procent minder CO2 uitstoten dan in 1990; dat staat in het Klimaatakkoord van 2019. Juist in die gebouwde omgeving is nog veel energieverspilling. Energiezuinige technieken – zoals een nieuwe warmtepomp – worden bijvoorbeeld niet efficiënt gebruikt. Het besparingspotentieel van energieverspilling is groot; er valt nog veel winst te behalen.

Het is zonde als we het besparingspotentieel van energieverspilling de komende jaren niet volledig benutten. Het stoppen van energieverspilling is namelijk de meest duurzame én de meest rendabele oplossing. Grote investeringen in technieken zijn niet nodig. Om energieverspilling te stoppen moeten de huidige technieken van een bedrijf – zoals de verwarming – zuinig ingesteld worden. Ondanks de vele voordelen gaat het voorkomen van energieverspilling niet vanzelf. Dit komt doordat het energieverbruik voor veel bedrijven een bijzaak is in de bedrijfsvoering. Daarom moeten we een drijvende kracht creëren en het toegestane energieverbruik in de gebouwde omgeving begrenzen.

Energieverspilling bij bedrijven

Onderzoek van EnergiePartners uit 2017 toont aan dat alleen het mkb al 600 miljoen (!!) kuub gas verspilt, doordat de verwarming onnodig aanstaat. Hieruit concluderen we dat het stoppen van energieverspilling écht de moeite waard is. Maar waarom is er zoveel energieverspilling bij bedrijven? Dit komt doordat bedrijven er niet direct last van hebben. Dat de verwarming buiten kantoortijden aanstaat valt niemand op; het werk gaat gewoon door. Daarnaast zijn de energielasten voor veel bedrijven hooguit een paar procent van de totale bedrijfskosten. Ondanks dat een besparing van 20 procent op energiekosten veel is, is het voor de totale bedrijfskosten minder dan één procent. Daarom zullen financiële prikkels, zoals hogere energiebelasting, maar beperkt effect hebben.

DBO en de monitoringsplicht

Kijkend naar de huidige energiewetgeving zijn steeds meer bedrijven verplicht hun energieverbruik te meten en te monitoren. Zij moeten zich bijvoorbeeld bezighouden met Doelmatig Beheer en Onderhoud (hierna: DBO). In het kader van energiebesparing moeten zij goed en efficiënt omgaan met de technieken die het bedrijf in gebruik heeft (Lars vertelt... DBO is zo sexy). Dat zijn stappen in de goede richting, maar alleen DBO is niet genoeg. Goede controle op DBO is erg lastig. Toezichthouden op energie is in vergelijking met andere milieuonderwerpen namelijk écht een vak apart (Lars vertelt... toezichthouden op energie? Onderschat het niet). Daarom voldoen deze stappen op zichzelf niet om energieverspilling te voorkomen.

Klimaatakkoord: geen streefdoel maar tussennorm

Terugkomend op het Klimaatakkoord van 2019: belangrijke uitgangspunten zijn het werkelijke energieverbruik, de haalbaarheid en kosteneffectiviteit van maatregelen, en de vergaande energiebesparing. Hieruit kunnen we concluderen dat het belang van het voorkomen van energieverspilling wordt ingezien. Maar de deadline van 2030 is een streefdoel (het is vrijblijvend), terwijl er bij de deadline van 2050 wél gesproken wordt over een norm (het is verplicht). Waarom maken we van het streefdoel van 2030 dan geen tussennorm? We leggen je uit waarom dit goed kan werken.

Voorbeeld van normering in de gebouwde omgeving: gebouwlabels

Per 1 januari 2023 moet elk kantoorgebouw energielabel C of beter hebben. Zonder een dergelijk label mag het gebouw niet meer worden gebruikt. Doet men dit toch? Dan is de mogelijke straf fors: een geldboete, taakstraf of zelfs gevangenisstraf. Het kantoorpand is vanaf 2023 waardeloos zonder goed energielabel. Dit heeft enorme ontwikkelingen teweeggebracht in het verbeteren van de labels van kantoorpanden.

Nu is het jammer dat een gebouwlabel weinig zegt over het werkelijke energieverbruik. Uit onderzoek blijkt zelfs dat de correlatie tussen die twee verrassend laag is. Volgens theoretische berekening is het gasverbruik van een kantoor met energielabel A 26 procent van een kantoor met label G (7 om 27 kuub gas per m2). Het werkelijke verbruik is maar liefst 70 procent (9 om 13 kuub gas per m2), veel hoger dus! Bij het stroomverbruik is dit nog erger, want een kantoor met label A verbruikt méér dan een kantoor met label G (80 om 70 kWh per m2)! Vanuit klimaatoogpunt schieten we daarom weinig op met gebouwlabels. Beleidsinhoudelijk is het daarentegen een groot succes, waar we zeker wat van kunnen leren.

Wat leren we van het normeringsbeleid rondom de gebouwlabels?

Maar wat kenmerkt succesvol normeringsbeleid? Kijkend naar het bovenstaande voorbeeld zijn er vijf punten:

  1. De normen zijn duidelijk
  2. De normen zijn goed meetbaar
  3. De normen worden opgesteld in overleg met alle betrokken partijen
  4. Tussen de aankondiging en het daadwerkelijk ingaan van de normen zitten meerdere jaren
  5. Als de normen niet gehaald worden, volgt er een sanctie die gevoeld wordt

Deze kenmerken zorgen voor duidelijkheid én voldoende tijd. Zowel voor de bedrijven die aan de normen moeten voldoen als de partijen die hen daarbij kunnen helpen. Denk aan leveranciers, installateurs en toezichthouders. Betrokkenen krijgen de tijd om te wennen, te innoveren, zich bij te scholen of zich de regels eigen te maken.

De toekomst: normeren op het werkelijke energieverbruik

Om de deadline van 2030 te halen moet er nog veel gebeuren. Daarom moeten we normeren op energieverbruik. Een belangrijk aspect hiervan is dat het werkelijke energieverbruik gemeten wordt. Een interessante optie hierin is de WEii-methode. Onlangs is de WEii – ook wel Werkelijke Energie Intensiteit Indicator – gelanceerd. De initiatiefnemers zijn TVVL (kennisplatform voor gebouwgebonden installaties en voorzieningen) en DGBC (netwerkorganisatie voor duurzaam bouwen en vastgoed). Met de WEii-methode wordt een gebouw geclassificeerd op het werkelijke energieverbruik per vierkante meter. Een groot voordeel daarbij is dat dit vrij makkelijk te controleren is door het bevoegd gezag.

Gebouwgebonden technieken, faciliteiten en processen

Maar het classificeren van gebouwen op werkelijk energieverbruik is niet eenvoudig. Een gebouw is vaak niet in bezit van het bedrijf dat het gebruikt. Hierdoor zal de verantwoording over het energieverbruik gesplitst moeten worden in de volgende categorieën:

  1. Gebouwgebonden technieken: zoals isolatie, verwarming en luchtbehandeling
  2. Faciliteiten: zoals computers en servers, koel- en vriescellen en liften
  3. Processen: zoals machines, ovens en spuitcabines

Gebouwgebonden technieken horen bij de eigenaar van het gebouw, terwijl de faciliteiten en processen juist bij de gebruiker horen. Deze moeten dus ook apart bemeten worden. Daarnaast beïnvloeden gebouwgebonden technieken, faciliteiten en processen elkaars energieverbruik. Hoe meer apparatuur aanstaat, hoe minder warmte de verwarming hoeft te leveren. Ook met deze onderlinge beïnvloeding moet rekening gehouden worden.

Gebouwgebonden technieken: gebouwlabels

Daarom is het interessant om de WEii-methode en de gebouwlabels te combineren. Bij de gebouwlabels wordt namelijk al gekeken naar de gebouwgebonden technieken. Hiermee wordt de kwaliteit van gebouwgebonden technieken geclassificeerd en dit moeten we behouden. Wél moeten we daar een norm voor het werkelijke energieverbruik aan toevoegen, zodat het bevoegd gezag de gebouweigenaar hierop kan aanspreken. Zo weten we of de gebouwgebonden technieken van kwaliteit zijn én of deze technieken ook goed en zuinig werken. De WEii-methode geeft hiervoor een goede aanzet.

Faciliteiten en processen: appels met appels vergelijken

Kijkend naar het werkelijke energieverbruik van faciliteiten en processen is het belangrijk rekening te houden met de verschillende sectoren. De ene sector verbruikt nu eenmaal meer energie dan de andere sector. Maar ook de verschillen binnen dezelfde sector zijn groot. De onderstaande grafiek laat zien hoe groot het verschil in energieverbruik per vierkante meter is tussen autoschadeherstelbedrijven uit onze database. De staafdiagrammen tonen het aantal bedrijven met X energieverbruik per vierkante meter. De oranje lijn laat het percentage bedrijven zien dat onder een bepaald energieverbruik zit.

De zuinigste bedrijven uit de sector laten zien dat energieverspilling wel degelijk voorkomen kan worden. Deze bedrijven kunnen gebruikt worden om de norm op te baseren. Zij zijn een voorbeeld voor de rest van de sector. Bij de bedrijven met een hoger energieverbruik per vierkante meter valt nog veel winst te behalen.

Samen de energietransitie door!

Door alleen al energieverspilling te stoppen besparen we naar verwachting zeker 12 procent. Hiermee zijn we al een flink eind op weg naar de klimaatdoelstellingen van 2030. Het normeren van het energieverbruik kan hierin een belangrijke rol spelen!

Kijkend naar de klimaatdoelstellingen van 2030, moeten we nog flinke stappen maken. Wil je alvast aan de slag gaan? Daar helpen we je graag bij! Neem gerust contact op met Menno. Mail naar m.vankleef@energiepartners.com of bel 030 207 40 70.

.

.

1.Sipma J.M. (ECN), Kremer A. (CBS), Vroom J. (CBS), Jan 2017

Thema'sGroepenDeelnemersProjecten